Danziger Hoogvlieger

c 03-17

D 816

Land van oorsprong: Polen, Gdansk, de vroegere Duitse stad Danzig.

Algemeen voorkomen: Lange, slanke duif met een bijna horizontaal gedragen lichaaam, middelhoge stand, licht gewelfde en breed gedragen verrijke staart, heel licht gewelfde kop met schelpkap.

Raskenmerken:

Type

Stand

Kop

 

 

 

 

 

Ogen

Oogranden

Snavel

 

Neusdoppen

Hals

Keel

Borst

Rug

Vleugels

 

Staart

 

Benen

Bevedering

Slanke duif met schelpkap.

Middelhoog, lichaam bijna horizontaal.

Licht naar beneden neigend gedragen, lange voorkop, in profiel vanaf de snavel-punt tot aan de kap een heel licht gebogen lijn vormend, van boven wigvormig. De kap breed, hoog aangezet, zonder gapingen, aan de voorkant door de boven-kopbevedering ondersteund, achter zonder inkeping gesloten en in de nekbevedering overgaand, aan de zijkanten zonder rozetten tot aan de ooropeningen uitlopend.

Parelogen in alle schakeringen, zonder rode bloedadertjes.

Smal, blauwachtig wit.

Middellang, zonder onderbreking in de voorkopbelijning overgaand, niet te krachtig; licht, bij donkere kleurslagen is snavelstip toegestaan.

Glad, weinig ontwikkeld.

Middellang, slank, nekbevedering goed gesloten.

Goed uitgesneden.

Matig breed, iets naar voren tredend en goed gerond.

Lang, niet te breed en naar achteren versmallend, slechts licht afhellend.

Lang, strak aanliggend, bijna tot het staarteinde reikend. Vleugeldracht normaal.

Lang, tenminste 14 brede staartpennen; zonder gapingen, enigszins bol en aan het einde iets breder dan de borst gedragen.

Middellang.

Lang, glad aanliggend.

Kleurslagen:

Ø  Wit, zwart, rood, geel; blauwzilver ongeband;

Ø  Blauw zwartgeband, blauwzilver donkergeband, roodzilver geband en geelzilver geband,

Ø  Blauw gekrast,

Ø  Blauw-, zwart-, rood-, geel lichtgetijgerd;

Ø  Blauw-, zwart-, rood-, geel donkergetijgerd;

Ø  Lichtgemaserd, donkergemaserd;

Ø  Zwart-, blauw-, roodzilver-, geelzilver-, blauwzilver geëksterd;

Ø  Rood-, geel gemonnikt;

Ø  Rood-, geelbont;

Ø  Blauw-, roodzilver- en geelzilver schimmel.

Kleur en tekening:

Zie voor kleuren het hoofdstuk “Specificatie van kleuren”in de NBS-standaard. De kleuren intensief, respectievelijk zuiver. Zwart met veel glans, blauw donker (“staalblauw”); gekraste met bij voorkeur regelmatig kraspatroon.

Bij rood- en geelzilver intensieve hals- en borstkleur en banden; licht gewolkte vleugelschilden zijn toegestaan; bij duivinnen is blauwe zweem aan borst en buik toegestaan; banden zuiver, lang en bij voorkeur gescheiden.

Bij de gemaserde moeten zuivere kleuren worden nagestreefd.

Lichtgemaserd: kop, rug, slagpennen en staart met boven- en onderstaartdek wit; de veren van hals, borst en buik wit en aan de uiteinden onscherp gekleurd uitlopend.

Donkergemaserd: gehele bevedering gemaserd getekend (als hals, borst en buik bij lichtgema-serd).

Gemonnikt: kop wit of nagenoeg wit, slagpennen en staart, inclusief boven- en onderstaartdek wit, monniktekening wordt nagestreefd; de overige bevedering gekleurd of met weinig wit vermengd.

Geëksterd: kop, hals (voorhals met of zonder witte vlek), borst, schouders, staart en bij voorkeur ook de rug gekleurd, de overige bevedering wit.

Bont: op witte grondkleur bij voorkeur regelmatig verdeelde kleurspatten; slagpennen en staart mogen ook geheel wit zijn.

Fouten:

Kort of plomp lichaam; hoge stand; grove, te ronde kop, hoog voorhoofd; veel rood in de iris; gele of rode oogranden; oogkleppen; te krachtige of donkere snavel, grove neusdoppen, aanliggen-de, laag aangezette, smalle, scheve of onregelmatige (gapingen) kap, sterke inkeping in nek, rozetten (kleine aanzet hiertoe is nog geen rozet); niet correct afgedekte rug; smalle staart; beenstoppels; slechte kleur of tekening.

Beoordeling:

ü  Algemeen voorkomen

ü  Type en stand

ü  Kopvorm, kap en ogen

ü  Staartvorm

ü  Snavelkleur

ü  Kleur en tekening

Ringmaat: 7 mm.

speciaalclub

duivenrassen

Fokkers Frisia