Keulse Tuimelaar

c 03-17

D 827

Land van oorsprong: Nederland; na 1920 in de omgeving van Keulen naar de huidige vorm veredeld.

Algemeen voorkomen: Middelgroot; goed geronde en volle borst; vrij lage stand, licht afhellende houding.

Raskenmerken:

Type

Stand

Kop

 

 

Ogen

Oogranden

Snavel

 

Neusdoppen

Hals

Keel

Borst

Rug

Vleugels

Staart

Benen

 

 

 

Bevedering

Middelgrote duif

Tamelijk lage stand; licht afhellende houding.

Gladkoppig, goed gevuld; breed, licht oplopend eniets gewelfd voorhoofd; de schedel matig gerond met het hoogste punt boven de ogen, elegant naar de nek verlopend.

Parelkleurig, iris zonder bloedadertjes, pupil centraal, klein en strak.

Smal, goed afgedekt en gelijkmatig. Zie voor kleur bij kleur en tekening.

Middellang, krachtig met het voorhoofd een stompe hoek vormend; niet afhangend. Zie voor kleur bij kleur en tekening.

Wit, glad aanliggend.

Vol uit de romp komend, naar de kop toe dunner wordend.

Goed uitgesneden.

Breed en goed gerond.

Tamelijk breed en afhellend.

Krachtig, brede veren, niet tot het staarteinde reikend; vleugeldracht normaal.

Lang; staartdracht normaal.

Kort, voeten onbevederd of met dichte voetbevedering. Voetbevedering zonder gapingen, de veren zijwaarts gericht en aansluitend aan de goed ontwikkelde gierhakken. Nagelkleur bij witpen, witstaart, witpenwitstaart en geëksterd zonder betekenis, bij de andere kleurslagen conform de snavelkleur.

Glad aanliggend.

Kleurslagen:

Ø  Wit, zwart, rood, geel;

Ø  Blauw- en blauwzilver ongeband;

Ø  Blauw zwartgeband, blauwzilver donkergeband, roodzilver geband, geelzilver geband; indigo geband.

Ø  Blauw-, roodzilver-, blauwzilver- en geelzilver gekrast, indigo gekrast;

Ø  Blauw schimmel (geband); zwart reduced (lichtgrijs gezoomd);

Ø  Zwart-, rood- en geel rozetgetijgerd;

Ø  Zwart-, rood-, geel-, blauw zwartgeband-, blauwzilver donkergeband-, blauw gekrast- en blauwschimmel witpen; andalusisch blauw witpen.

Ø  Zwart-, rood-, geel-, blauw zwartgeband-, blauwzilver donkergeband-, blauw gekrast-, blauwzilver gekrast- en blauwschimmel witstaart;

Ø  Zwart-, rood-, geel-, blauw zwartgeband-, blauwzilver donkergeband-, blauw gekrast-, blauwzilver gekrast- en blauwschimmel witpenwitstaart;

Ø  Zwart-, rood-, geel-, blauw-, blauwzilver- en blauw gekrast geëksterd (alleen kaalbenig).

Ø  Zwart-, rood-, geel-, blauw-, blauwzilver gehelmd (alleen kaalbenig).

Kleur en tekening:

Zie voor kleuren het hoofdstuk “Specificatie van kleuren”in de NBS-standaard. De kleuren intensief, respectievelijk zuiver. Wit zuiver wit.

De “lakkleuren”met veel glans, bij zwart groenglans, bij rood en geel purperglans, blauw met groenglans in de hals.

Zilvers met zuivere vleugelschilden; blauwzilver met doorgekleurde slagpennen en staart; rood- en geelzilver met niet afzettende kopkleur. Blauwschimmel met banden.  Bij gebande de banden lang, smal en gescheiden; gekraste met regelmatig kraspatroon.

Lichtgrijs donkergezoomd: grondkleur lichtgrijs, kop en bovenhals donker; vleugeldekveren en slagpennen donker gezoomd; lichte roest in de halsbevedering is toegestaan.

Eénkleurig: oogranden bij rood, geel, geelzilver en wit bleek. Bij blauw- en roodzilvers lichtgrijs. Bij blauwe blauwgrijs en zwart bij zwart. Snavelkleur waskleurig bij rood, geel, geelzilver en wit; hoornkleurig bij blauw- en roodzilvers, donker bij blauw en zwart bij zwart.

Rozettijger: de witte vleugelrozetten aan beide zijden regelmatig verdeeld op de voorste helft van de vleugelschilden. Op de schouder een driehoekige witte vlek (hart) en op de rug een witte “brug”. De gekleurde band moet de vleugelrozetten scheiden van de schouderdriehoek. De kleur van de oogranden en de snavel conform de éénkleurige.

Witpen: aan elke vleugel 7 – 10 aaneengesloten witte buitenste slagpennen, bij voorkeur aan beide zijden gelijk in aantal. Duimveren gekleurd. De kleur van de oogranden en de snavel conform de éénkleurige.

Witstaart: witte staart met wit boven- en onderstaartdek, rondom strak afgetekend. De kleur van de oogranden en de snavel conform de éénkleurige.

Witpenwitstaart: zoals bij witpen en witstaart samengevat. De kleur van de oogranden en de snavel conform de éénkleurige.

Geëksterd: met correcte ekstertekening en gekleurde kop, oogranden bleek, bij de blauw blauwgrijs; snavel waskleurig, bij blauw donker, bij blauwzilver hoornkleurig. Bij zwart snavelstip toegestaan.

Gehelmd: gekleurde staart met boven- en onderstaartdek, rondom strak afgetekend; gekleurde bovenkop, strak belijnd vanaf de snavelhoek door de onderrand van de oogranden en rondom de kop. Kop- en staartkleur met elkaar overeenstemmend, de overige bevedering wit. Oogran-den bleek; snavel waskleurig, bij zwart en blauw bij voorkeur snavelstip.

Fouten:

Smal of lang lichaam; te weinig borstbreedte en/of –diepte; horizontale ruglijn; te hoge stand; hoekige kop, keelwam; stierennek; onzuivere iris; rode oogranden; niet correct afgedekte rug; losse bevedering; onzuivere kleur, ernstige afwijkingen in tekening; bij voetbevederde te korte voetbevedering, gapingen in de voetbevedering en gierhakken.

Beoordeling:

ü  Algemeen voorkomen

ü  Type en stand

ü  Kop ogen en oogranden

ü  Kleur

ü  Tekening

Bij de verschillende varianten moeten de voor de betreffende variant typische kenmerken in de beoordeling worden meegenomen.

Ringmaat: kaalbenig 8 mm.; voetbevederd 11 mm.

speciaalclub

duivenrassen

Fokkers Frisia